Naar de inhoud

Dictee groep 5: tien zinnen met geluid

Sneeuw, gezellig, poppetje, hij loopt: tien zinnen met de spelling van groep 5. Oefen eerst de woorden, luister dan naar elke zin en schrijf hem op.

Dictee met geluid

Luister, schrijf en controleer: goede woorden worden groen, fouten rood. Je kunt zo vaak luisteren als je wilt.

Tekst van het dictee (voor de volwassene)
  1. Mijn broer loopt elke dag naar school.
  2. De vogel bouwt een nestje in de boom.
  3. In de winter valt er veel sneeuw.
  4. Opa heeft een nieuwe fiets gekocht.
  5. Het kleine meisje speelt met haar poppetje.
  6. Sam drinkt een glaasje melk bij het ontbijt.
  7. De hond is vrolijk en blaft luid.
  8. Het is gezellig om samen te spelen.
  9. Lisa vertelt de waarheid aan haar moeder.
  10. Mijn kleine zusje maakt een mooie tekening voor de juf.

Woordenlijst: dictee groep 5 (28 woorden)

Tik op een woord om het te horen.

Verkleinwoorden

Woorden op -ig, -lijk en -heid

Woorden met eeuw en ieuw

Werkwoorden: hij loopt, zij speelt

Andere woorden

In klankgroepen: dictee groep 5

Spel: luister en zoek

Luister naar een woord uit de lijst en zoek het tussen vier woorden die erop lijken. Acht rondes, ongeveer twee minuten.

Spel: bouw het woord met klankgroepen

Luister naar het woord en bouw het met de kaartjes. Zes rondes.

Kort antwoord

Wat oefen je in een dictee van groep 5?

In groep 5 bestaat een dictee uit zinnen van zes tot tien woorden. Het kind oefent verkleinwoorden (meisje, poppetje, glaasje), woorden met eeuw en ieuw (sneeuw, nieuwe), woorden die eindigen op -ig, -lijk en -heid (gezellig, vrolijk, waarheid) en werkwoorden in de tegenwoordige tijd: hij loopt, zij speelt. Daarnaast blijven de regels van groep 4 terugkomen, zoals ei of ij en de dubbele medeklinker.

  • Aan het eind van gezellig en rustig hoor je 'ug', maar je schrijft -ig.
  • Vrolijk klinkt aan het eind als 'luk', maar je schrijft -lijk.
  • Na hij, zij en het komt er een t achter de stam van het werkwoord: ik loop, hij loopt.
  • Een verkleinwoord eindigt op -je, -tje, -pje of -etje: zusje, poppetje.

In groep 5 worden de zinnen langer en komen er woorden bij waarbij je niet schrijft wat je hoort. Gezellig klinkt aan het eind als 'ug', vrolijk als 'luk', en toch schrijf je -ig en -lijk. Die woorden leer je het best in groepjes: alle woorden op -ig samen, alle woorden op -lijk samen. Woorden met eeuw, ieuw en uw, zoals sneeuw en nieuw, hebben een w die je bijna niet hoort.

De werkwoorden zijn voor veel kinderen het lastigst. Hij loopt, zij speelt, de hond blaft: na hij, zij of een ander enkelvoud komt er een t achter de stam. Een handige vraag: vervang het onderwerp door 'hij' en kijk of er een t bij moet. Bij de verkleinwoorden hoort het einde -je, -tje of -etje bij het woord: zus-je, pop-pe-tje. Wie twijfelt over ei of ij in ontbijt, oefent met woorden met ij.

Laat je kind voor het dictee de woorden om te oefenen beluisteren en lezen in klankgroepen, en speel het spel met de langste woorden (poppetje, gezellig, tekening). Gaan dezelfde regels steeds fout, kies dan één regel per week. Kinderen met dyslexie hebben vaak veel meer herhaling nodig bij woorden die je moet onthouden; een kort dictee dat vaak terugkomt, werkt dan beter dan een lang dictee.

Oefeningen: dictee groep 5

De hij-test

Schrijf zinnen met een werkwoord op en laat de laatste letter van het werkwoord weg: 'De vogel bouw_ een nest.' Je kind vervangt het onderwerp door hij: hij bouwt. Moet er een t bij? Daarna vult het de letter in.

Woorden op -ig en -lijk sorteren

Maak twee kolommen, -ig en -lijk. Zoek samen woorden: gezellig, rustig, prettig, vrolijk, gelukkig, moeilijk. Je kind zet ze in de goede kolom en zegt ze hardop. Let op: gelukkig eindigt op -ig, al zit er een k in.

Elke dag twee zinnen

Dicteer elke dag twee zinnen van de lijst, die je kind de dag ervoor heeft geoefend. Na vijf dagen is het dictee klaar. Op vrijdag doet je kind het hele dictee met geluid alleen en vergelijkt het met de eerste keer.

Veelgestelde vragen

Hoe lang is een dictee in groep 5?

Daar is geen vaste regel voor. Vaak gaat het om acht tot vijftien zinnen of een korte tekst. Deze pagina heeft tien zinnen van zes tot tien woorden; je kunt ze in één keer doen of over de week verdelen.

Wat zijn de spellingregels van groep 5?

Onder andere: verkleinwoorden (-je, -tje, -pje, -etje), woorden op -ig, -lijk en -heid, eeuw en ieuw, en werkwoorden in de tegenwoordige tijd (hij loopt). De regels van groep 4, zoals ei of ij en de dubbele medeklinker, blijven ook terugkomen.

Wanneer schrijf je -ig en wanneer -lijk?

Je hoort het verschil: -ig klinkt als 'ug' (gezellig) en -lijk als 'luk' (vrolijk). Bij -lijk hoor je dus een l. Het moeilijke is dat je in beide gevallen niet schrijft wat je hoort, dus oefen ze als woordbeeld.

Hoe weet je of er een t achter het werkwoord komt?

Vervang het onderwerp door hij. Bij hij komt er een t achter de stam: hij loopt, hij speelt. Bij ik niet: ik loop, ik speel. Zo kun je 'De hond blaft' controleren: hij blaft, dus een t.

Hoe schrijf je een verkleinwoord?

Je zet -je, -tje, -pje of -etje achter het woord: zus wordt zusje, glas wordt glaasje, pop wordt poppetje en boom wordt boompje. Welk einde het wordt, hangt af van hoe het woord eindigt; dat leer je door veel voorbeelden te zien.

Mijn kind maakt veel fouten in het dictee. Wat kan ik doen?

Kies één regel per week en oefen alleen die, met korte dictees die vaak terugkomen. Laat je kind zinnen zo vaak beluisteren als nodig en bespreek met de leerkracht welke regels in de klas aan bod zijn. Blijven lezen en spellen erg moeilijk ondanks oefenen, bespreek dan met school of onderzoek nodig is.