Kort antwoord
Wat valt er onder fonemisch bewustzijn?
Onder fonemisch bewustzijn valt alles wat een kind met de losse klanken (fonemen) in een gesproken woord kan doen: een klank herkennen, de beginklank of eindklank horen, een woord in klanken hakken (auditieve analyse, m-aa-n), klanken plakken tot een woord (auditieve synthese, m-aa-n wordt maan) en klanken weglaten of veranderen (maan wordt baan). Hakken en plakken zijn de twee vaardigheden die het meest direct gebruikt worden bij spellen en lezen. Oefenen werkt het best in korte, regelmatige rondes, en zodra een kind woorden van drie klanken kan hakken en plakken, horen de letters erbij.
- Auditieve synthese (plakken) gebruik je bij lezen, auditieve analyse (hakken) bij spellen.
- Training van klankbewustzijn had een groter effect op lezen als de klanken aan letters werden gekoppeld.
- Richten op één of twee vaardigheden werkte beter dan veel vaardigheden tegelijk.
- Korte oefenmomenten verspreid over de week blijven beter hangen dan één lange sessie.
- Zeg klanken, geen letternamen: /m/ en niet ‘em’.
Fonemisch bewustzijn is het preciese deel van fonologisch bewustzijn: merken dat het gesproken woord boek uit drie klanken bestaat, /b/ /oe/ /k/, en die klanken uit elkaar kunnen halen en weer aan elkaar kunnen plakken. Het is een mondelinge vaardigheid, dus elke oefening hieronder kan zonder boek. Het is ook een van de vaardigheden die het sterkst samenhangen met hoe makkelijk een kind woorden leert lezen, en daarom kijken leerkrachten er in groep 2 en 3 extra naar.
De oefeningen zijn ingedeeld per groep, maar de groep is alleen een startpunt. Kies de eerste oefening die je kind nog niet makkelijk kan en begin daar. Gebruik bij jonge kinderen plaatjes of echte voorwerpen, houd elke ronde op twee à drie minuten en stop terwijl het nog leuk is.
Wat is fonemisch bewustzijn?
Een foneem is de kleinste klank die de betekenis van een woord verandert. Zee en zeep verschillen in één klank, de /p/; kat en mat ook, de eerste klank. Fonemisch bewustzijn is het besef dat woorden uit zulke klanken zijn opgebouwd, en het vermogen om ze te horen, te tellen en te veranderen. Je hoort het ook wel foneembewustzijn of klankbewustzijn noemen.
Het gaat om klanken, niet om letters. Boek heeft vier letters maar drie klanken, want oe is één klank. Maan heeft vier letters en drie klanken: /m/ /aa/ /n/. Voor een kind dat nog niet leest, is dat geen probleem: het hoort gewoon drie stukjes. Voor volwassenen die al jaren lezen, is het juist lastig om de letters even te vergeten. Let bij het oefenen dus op wat je hoort.
- Klanken onderscheiden: hoor je verschil tussen /b/ en /p/, tussen /i/ en /ie/?
- Beginklank, eindklank en middenklank horen: maan begint met /m/, bus eindigt op /s/, in pet hoor je in het midden een /e/.
- Auditieve analyse of hakken: een woord in losse klanken zeggen, v-i-s.
- Auditieve synthese of plakken: losse klanken samenvoegen tot een woord, v-i-s wordt vis.
- Klanken manipuleren: een klank weglaten (kop zonder /k/ is op), toevoegen of vervangen (maan wordt baan).
Auditieve analyse en synthese: wat is het verschil?
Auditieve synthese is klanken samenvoegen tot een woord: je hoort /r/ /oo/ /s/ en zegt roos. Dat doet een kind bij het lezen, telkens als het een woord verklankt. Auditieve analyse is het omgekeerde: je hoort roos en zegt /r/ /oo/ /s/. Dat doet een kind bij het spellen, als het moet bedenken welke letters het opschrijft. In de klas heten ze vaak gewoon plakken en hakken.
| Auditieve synthese (plakken) | Auditieve analyse (hakken) | |
|---|---|---|
| Wat het kind doet | Losse klanken samenvoegen tot een woord | Een woord opdelen in losse klanken |
| Voorbeeld | /v/ /i/ /s/ wordt vis | vis wordt /v/ /i/ /s/ |
| Nodig voor | Lezen: een woord verklanken | Spellen: een woord opschrijven |
| Moeilijkheid | Meestal eerst onder de knie | Meestal iets later, het kind moet de klanken zelf maken |
| Struikelblok | Het kind herhaalt de klanken in plaats van het woord | Het kind noemt lettergrepen of letternamen in plaats van klanken |
Hakken en plakken worden in groep 3 het hart van het leesonderwijs, maar ze beginnen eerder, mondeling, in groep 1 en 2. Welke woorden in groep 3 als eerste aan bod komen en hoe het verklanken met letters verder gaat, staat bij leren lezen.
15 oefeningen voor fonemisch bewustzijn op een rij
| # | Oefening | Vaardigheid | Groep | Materiaal |
|---|---|---|---|---|
| 1 | Ik zie, ik zie, met de klank… | Beginklank horen | 1–2 | Geen |
| 2 | Klankmandjes | Beginklanken sorteren | 1–2 | Speelgoed of plaatjes |
| 3 | Robotpraat | Klanken plakken | 2 | Geen |
| 4 | Voelzak | Klanken plakken | 2 | Zak en kleine voorwerpen |
| 5 | Vreemde eend | Klanken vergelijken | 2 | Plaatjes (mag) |
| 6 | Eindklankdetective | Eindklank horen | 2–3 | Geen |
| 7 | Vingers tellen | Klanken hakken | 2–3 | Vingers |
| 8 | Klankvakjes | Klanken hakken | 2–3 | Papier, fiches |
| 9 | Rekslang | Hakken en plakken | 2–3 | Geen |
| 10 | Klankhinkelen | Woorden hakken | 2–3 | Stoepkrijt of papieren vakken |
| 11 | Gekke wissel | Beginklank vervangen | 3 | Geen |
| 12 | Weg ermee | Klank weglaten | 3–4 | Geen |
| 13 | Middenwissel | Klinker vervangen | 3–4 | Lettertegels (mag) |
| 14 | Woordketting | Plakken en wisselen met letters | 3–4 | Lettertegels |
| 15 | Schrijven op gehoor | Hakken om te spellen | 3–4 | Papier en potlood |
Fonemisch bewustzijn bij kleuters: oefeningen voor groep 1 en 2
Bij jonge kleuters is het doel simpelweg merken dat woorden met een klank beginnen. Gaan rijmen en klankgroepen klappen nog moeizaam, begin daar dan eerst; de gids over fonologisch bewustzijn laat de volgorde zien.
1. Ik zie, ik zie, met de klank…
- Kies iets wat je kind kan zien, bijvoorbeeld een mok.
- Zeg: ‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet, en het begint met /m/.’ Zeg de klank, niet de letternaam ‘em’.
- Raadt je kind fout, zeg dan beide woorden langzaam: ‘mmmok, ssssok. Welke begint met /m/?’
- Wissel van rol. Kies eerst klanken die je lang kunt aanhouden, zoals /m/, /s/, /f/ en /l/.
2. Klankmandjes
- Leg zes voorwerpen of plaatjes neer: drie met /m/ (muis, maan, mes) en drie met /s/ (sok, soep, sap).
- Zet twee mandjes neer, met een plaatje van een muis en van een sok erop.
- Je kind zegt elke naam hardop en legt het voorwerp in het mandje met dezelfde beginklank.
- Komt er een derde klank bij als twee makkelijk gaat, vermijd dan in het begin klanken die op elkaar lijken, zoals /b/ en /p/ of /v/ en /f/.
3. Robotpraat
- Vertel je kind dat een robot alleen in losse klanken praat.
- Zeg met een robotstem ‘/v/ /i/ /s/’, met een korte pauze tussen de klanken.
- Je kind zegt het woord gewoon: vis.
- Begin met twee klanken (/ij/ /s/ wordt ijs, /oo/ /k/ wordt ook), daarna drie. Woorden met een lange beginklank, zoals zon, maan en fiets, zijn het makkelijkst.
Auditieve synthese oefeningen: klanken plakken
Klanken plakken is wat een kind doet bij elk woord dat het verklankt. Het is meestal makkelijker dan hakken en komt daarom eerst. Zegt je kind de klanken terug in plaats van het woord, maak de pauzes dan korter tot de klanken bijna in elkaar overlopen. Sommige leesmethodes noemen dat aan elkaar zeggen zingend of zoemend lezen: mmmaaannn.
4. Voelzak
- Stop vijf kleine voorwerpen met een korte naam in een zak: een pen, een bal, een kam, een sok en een beer.
- Voel in de zak en zeg de klanken van één voorwerp: ‘Ik heb een /k/ /a/ /m/.’
- Je kind plakt de klanken, zegt het woord en mag het voorwerp pas dan uit de zak halen.
- Laat je kind daarna zelf iets verstoppen en de klanken zeggen, zodat jij moet plakken.
5. Vreemde eend
- Zeg drie woorden waarvan er twee met dezelfde klank beginnen: muis, maan, boom.
- Vraag welk woord met een andere klank begint.
- Gaan beginklanken makkelijk, probeer dan eindklanken (bus, vis, pen) en daarna de klank in het midden (pit, pet, pot).
- Dit is dezelfde opdracht als het eerste spelletje in de gratis dyslexie test, dus daar zie je meteen of het je kind makkelijk of moeilijk afgaat.
Auditieve analyse oefeningen: woorden in klanken hakken
Hakken betekent een gesproken woord opdelen in al zijn klanken. Het is de vaardigheid achter het spellen: om vis te schrijven, moet een kind eerst /v/ /i/ /s/ horen. Hakken is moeilijker dan plakken, omdat het kind de klanken zelf moet maken, dus reken op meer tijd. Blijf bij woorden van twee en drie klanken tot het hakken stevig staat; zulke woorden heten mkm-woorden, en een lijst met geluid staat bij de mkm-woorden.
6. Eindklankdetective
- Zeg een woord en rek het einde uit: ‘busss’.
- Vraag: ‘Wat is de laatste klank die je hoort?’
- Begin met woorden die eindigen op een klank die je kunt aanhouden (bus, vis, pen, bal), daarna korte klanken (pot, boek).
- Let op: hond en web eindigen in klank op /t/ en /p/. Een kind dat bij hond /t/ zegt, hoort het goed; de d is een spellingregel, geen klank.
7. Vingers tellen
- Zeg een woord van drie klanken, bijvoorbeeld kam.
- Je kind herhaalt het en tikt bij elke klank een vinger tegen de duim: /k/ /a/ /m/.
- Vraag: ‘Hoeveel klanken?’ Daarna veegt het met de hand over de arm en plakt het woord weer samen.
- Kies eerst woorden waarin elke klank één letter is. Woorden met een tweetekenklank, zoals boek of muis, komen later: drie klanken, vier letters.
8. Klankvakjes
- Teken drie vakjes naast elkaar en leg er drie fiches onder.
- Zeg een woord langzaam. Je kind schuift voor elke klank die het hoort een fiche in een vakje.
- Gaat dat makkelijk, vervang de fiches dan door lettertegels, zodat elke klank zijn letter krijgt. Bij maan komt aa als één tegel in één vakje.
- In het Engels heten zulke vakjes Elkonin boxes. Een kleine studie met kleuters die risico liepen op leesproblemen vond dat ze het klankbewustzijn, de klank-letterkennis en het spellen verbeterden.
9. Rekslang
- Zeg een woord alsof het een uitgerekte slang is: ‘zzzooonnn’.
- Beweeg je hand langzaam van links naar rechts terwijl je het zegt.
- Je kind doet het uitgerekte woord na en zegt het daarna snel: zon.
- Dit werkt twee kanten op: uitrekken is hakken, snel zeggen is plakken.
10. Klankhinkelen
- Teken met stoepkrijt een rij van vier vakken, of leg vellen papier op de grond.
- Zeg een woord. Je kind springt per klank één vak verder en zegt de klank bij elke landing.
- Aan het eind springt het met twee voeten en roept het hele woord.
- Kinderen die veel moeten bewegen, houden hun aandacht hierbij vaak beter vast dan aan tafel.
Oefeningen voor groep 3 en 4: klanken weglaten en wisselen
Oudere kinderen oefenen met het manipuleren van klanken: wisselen, weglaten en toevoegen. Die opdrachten vragen het meest van het werkgeheugen, dus houd de woorden kort. In deze fase is letters erbij nemen de nuttigste stap, want klankbewustzijn trainen in combinatie met letters had een groter effect op lezen dan alleen mondeling oefenen.
11. Gekke wissel
- Zeg een woord: maan.
- Vraag je kind de eerste klank te veranderen: ‘Maak van /m/ een /b/.’ (baan)
- Maak het gek met namen: ‘Maak van de eerste klank van papa een /k/.’ (kapa)
- Blijf bij de eerste klank tot dit makkelijk gaat.
12. Weg ermee
- Begin met samengestelde woorden: ‘Zeg voetbal. Zeg het nu zonder voet.’ (bal)
- Ga dan naar beginklanken: ‘Zeg kop. Zeg het nu zonder /k/.’ (op) Of: maan zonder /m/ is aan.
- Daarna klanken in een medeklinkercluster: ‘Zeg bril. Zeg het nu zonder /r/.’ (bil) ‘Zeg klok zonder /l/.’ (kok)
- Klanken binnen zo'n cluster zijn het lastigst, dus bewaar deze stap tot de eerdere vlot gaan.
13. Middenwissel
- Zeg een woord: pet.
- Vraag je kind de middelste klank te veranderen: ‘Maak van /e/ een /o/.’ (pot)
- Probeer een ketting: pet, pot, put, pit.
- Korte en lange klanken lijken op elkaar en worden makkelijk verwisseld, zoals man en maan of bom en boom. Oefen dat bewust; de klinkers staan met geluid op een rij.
14. Woordketting
- Leg met lettertegels kat. Je kind leest het door te plakken.
- Verander telkens één letter: kat, mat, mot, pot, pet, pen.
- Je kind leest elk nieuw woord en zegt welke klank veranderd is.
- Hier oefen je klankbewustzijn en klank-letterkoppeling tegelijk, de combinatie met het sterkste bewijs. Een omdraaier als extraatje: draai kat om en je krijgt tak, draai peer om en je krijgt reep.
15. Schrijven op gehoor
- Zeg een kort woord, bijvoorbeeld slak.
- Je kind hakt het hardop en steekt per klank een vinger op: /s/ /l/ /a/ /k/.
- Daarna schrijft het bij elke vinger een letter of een tweetekenklank.
- Controleer samen door het woord klank voor klank terug te lezen. Prijs elke goede klank, ook als de spelling nog niet klopt. Voor woorden met oe, ui, ei en andere tweetekenklanken zijn er de lijsten bij tweetekenklanken.
Hoe stimuleer je fonemisch bewustzijn het best?
- Weinig en vaak: drie tot vijf minuten, vier of vijf dagen per week. Korte, gespreide oefening blijft beter hangen dan dezelfde tijd in één keer.
- Eén of twee vaardigheden tegelijk. Het meeste effect kwam van hakken en plakken; probeer niet alles in één keer.
- Zeg zuivere klanken. /m/ is een brom, geen ‘muh’. Een extra uh-klank achter elke klank maakt plakken moeilijker: b-uh-a-uh-l klinkt niet als bal.
- Begin met klanken die je kunt aanhouden (/m/, /s/, /f/, /l/, /n/, /r/) voordat je korte klanken als /p/, /t/ en /k/ gebruikt.
- Gebruik bij jonge kinderen echte voorwerpen of plaatjes, zodat ze het woord niet ook nog hoeven te onthouden.
- Neem letters erbij zodra je kind woorden van drie klanken mondeling kan hakken en plakken.
- Verbeter vriendelijk: doe het goede antwoord voor, laat je kind het nazeggen en probeer meteen een vergelijkbaar woord.
Die laatste stap, letters erbij, wordt in Nederland en Vlaanderen breed onderschreven. De Kennisrotonde, het loket dat onderwijsvragen beantwoordt met onderzoek, concludeert dat woorden hakken zonder koppeling aan letters weinig zin heeft als voorbereiding op lezen, en dat kleuters die in groep 2 gericht klank-letterkoppelingen leren, in groep 3 minder vaak vastlopen. Voor klassen bestaan uitgewerkte materialen, zoals de Werkmap fonemisch bewustzijn van CPS voor groep 1 en 2 en in Vlaanderen het materiaal Kaatje Klank voor de kleuterklas.
Wanneer oefenen niet genoeg is
De meeste kinderen pakken deze vaardigheden op met een paar maanden speels oefenen. Sommige niet. Kan je kind halverwege groep 3 ondanks regelmatig oefenen nog geen drie klanken tot een woord plakken of de beginklank van een woord noemen, bespreek dat dan met de leerkracht of de intern begeleider. Hardnekkige moeite met de klanken in woorden is het meest voorkomende signaal van dyslexie, en afwachten of het vanzelf overgaat levert niets op.
Veel scholen volgen daarbij het Protocol Leesproblemen en Dyslexie van het Expertisecentrum Nederlands, met in groep 1 en 2 een signaleringslijst en korte taken voor onder meer auditieve analyse en synthese. Voor een kind dat moeite blijft houden, wijst het onderzoek naar systematisch klank-letteronderwijs: klank-letterkoppelingen in een vaste volgorde aanleren en plakken met echte letters, zoals in oefening 14. Op dyslexie hulp staat een plan voor thuis, de dyslexie oefeningen zetten oefeningen per vaardigheid op een rij, en de dyslexie spelletjes oefenen hetzelfde hakken en plakken met elk woord hardop voorgezegd.











